Bron: Ruis en Pinxterhuis, 2007. Verantwoorde en communiceerbare argumenten bij biologische producten: dierenwelzijn. ASG rapport 39.
Dierenwelzijn is een complex begrip dat zowel het fysieke welzijn (diergezondheid) als het geestelijk welzijn (hoe voelen dieren zich) omvat (Brambell Committee, 1965; De Jonge en Goewie, 2000). Dit is in feite een combinatie van verschillende definities van dierenwelzijn, waarbij men soms meer uitgaat van gevoelens van dieren, en soms meer van het biologisch functioneren. Voorbeelden van definities zijn: ‘welzijn is in harmonie met de omgeving leven’ (Hughes, 1976), of ‘welzijnsstatus hangt af van de moeite om aan te passen aan de omgeving’ (Broom and Johnson, 1993), of ‘hangt samen met de voorspelbaarheid en beheersbaarheid van de omgeving’ (Wiepkema en Koolhaas, 1993), of ‘welzijn hangt samen met de mentale en emotionele status van dieren, zoals plezier, pijn, gevoel van stress, angst en frustratie’ (Duncan, 1996).
We gebruiken daarom verschijnselen die we aan dieren aflezen om hun welzijn en gezondheid zo betrouwbaar mogelijk in te schatten. Daarbij baseren we ons vooral op de kennis die wij hebben van de biologie van het betreffende dier. De verschijnselen die we aan dieren aflezen zijn globaal te verdelen in de categorieën gedrag, gevoel en emotie, lichamelijke gesteldheid en maatschappelijke perceptie.
Gedrag
Gedrag is wellicht de belangrijkste informatiebron om het welzijn van dieren te kunnen beoordelen. Gedrag geeft een indruk van hoe dieren hun omgeving ervaren. Het natuurlijk gedrag van een dier is het resultaat van een evolutionair selectieproces waarin de dieren die het best zijn aangepast overleven. Het zijn gedragingen die dieren vertonen in hun natuurlijke omgeving. Voor het kunnen uiten van natuurlijk gedrag geldt dat dit niet synoniem is aan en een garantie is voor goed welzijn. Dieren hebben enerzijds het vermogen om zich aan te passen aan ‘nieuwe’ situaties, anderzijds kan de natuur ook ongemakken veroorzaken die niet voorkomen bij gehouden dieren. Voorbeeld hiervan is bescherming tegen predatoren. Echter, sommige onderdelen van het natuurlijke gedragsrepertoire zijn zo belangrijk en belonend voor een dier dat het die gedragingen onder alle omstandigheden wil blijven uitvoeren. Hiertoe is het dier als het ware voorgeprogrammeerd, en er wordt in dit verband ook gesproken over ‘behavioural needs’. Voor varkens, bijvoorbeeld, is het belangrijk te kunnen wroeten en scharrelen. Naarmate we dieren beperken in het uitvoeren van belangrijke elementen van hun natuurlijk gedragsrepertoire, vergroten we de kans dat dieren afwijkend en ongewenst gedrag gaan ontwikkelen. Deze gedragsproblemen zijn als volgt herkenbaar:
-
Beschadigend gedrag, zoals staart- en oorbijten bij varkens.
-
Stereotiep gedrag, gekenmerkt door vormvaste houdingen of gedragspatronen, die voortdurend worden herhaald en naar hun effect doelloos lijken. Bijvoorbeeld weven bij paarden, heen en weer lopen van wolven en stangbijten bij varkens.
-
Apathisch gedrag, waarbij het dier de interesse in de omgeving verliest.
Gevoel en emotie
Op basis van het gedrag dat wij bij dieren waarnemen, proberen we een zo betrouwbaar mogelijke inschatting te maken van de emotionele toestand van een dier. Gevoel en emotie wijzen echter naar een toestand van het brein (psychische component) die zich lastig objectief laat vaststellen. Deze toestand kan worden weergegeven in voor ons begrijpelijke positieve (plezier, opwinding, tevredenheid) en negatieve (pijn, frustratie, angst, verveling, agressie) emoties. De belangrijkste peiler voor deze inschatting is het homologiepostulaat. De aanname daarbij is dat de evolutionaire ontwikkeling bij verschillende gewervelde dieren (de mens incluis) tot overeenkomstige hersenstructuren en –functies heeft geleid op basis waarvan vergelijkbare emotionele, cognitieve en motivationele processen worden verondersteld. Dat betekent bijvoorbeeld, dat als bij de mens in de hersenen de verhoogde heropname van de neurotransmitter serotonine als belangrijke indicator wordt gezien voor depressie, wij veronderstellen dat een vergelijkbare verhoogde heropname van serotonine in het brein van gewervelde dieren, ook op een depressie kan wijzen.
Lichamelijke gesteldheid
Naast de psychische component, is de lichamelijke of fysieke gesteldheid van dieren een belangrijk onderdeel van dierenwelzijn. Vooral waar het stoornissen of ziektes betreft die gepaard gaan met pijn, lijden of blijvend ongerief. Deze stoornissen kunnen aangeboren zijn, of later optreden als gevolg van infecties, slijtage, gestoorde orgaan-functies, weefselwoekeringen, tekortkomingen in verzorging en huisvesting, of door toedoen van soortgenoten.
Morele zorg en maatschappelijke perceptie
Naast genoemde diercomponenten, spelen vanuit de morele zorg van mensen voor dieren integriteit en intrinsieke waarde van het dier een belangrijke rol in de welzijnsdiscussie. Onder integriteit wordt de heelheid van een dier verstaan. In de veehouderij worden routinematig ingrepen toegepast, waarbij een deel van het lichaam van dieren wordt verwijderd. Hierbij is het minder van belang of dieren van de ingreep zelf veel of weinig last hebben. Het laatste element dat in de discussie over het welzijn van dieren een rol speelt is de intrinsieke waarde, de waarde die dieren als dier hebben, los van hun gebruikswaarde. Het respecteren van de eigenwaarde geeft aan dat het dier iets eigens heeft, iets dat wezenlijk is voor het dier.
Meten aan dieren: vijf vrijheden en Welfare Quality®
Op basis van bovenstaande kenmerken die aan dieren zijn af te lezen kunnen we een aantal (performance) parameters aanwijzen die aangeven – echter niet in absolute zin - hoe het met dierenwelzijn gesteld is. Omgevingsparameters, ofwel designparameters (hokdesign en vierkante cm of m), geven niet aan hoe de dieren zich voelen, maar scheppen wel randvoorwaarden voor een goed dierenwelzijn.
In het EU-project Welfare Quality® is een Europees gedragen welzijnsmodel ontwikkeld, grotendeels op basis van dierkenmerken (Keeling en Veissier, 2005). Dit welzijnsmodel borduurt voort op het vanuit praktische overwegingen veel gehanteerde ‘vrijheden voor het dier’ model (five freedoms).
-
vrij van dorst, honger en ondervoeding,
-
vrij van fysiek en thermaal ongerief,
-
vrij van pijn, verwonding en ziektes,
-
vrij van angst en chronische stress en
-
vrij om natuurlijk gedrag te vertonen.
De commissie Brambell (1965) legde de basis voor deze vijf vrijheden. Deze hadden in eerste instantie betrekking op het kunnen staan, liggen, omdraaien, verzorgen van de huid (likken, krabben) en het strekken van de ledematen. Nadien heeft de Britse Farm Animal Welfare Council (FAWC) ze opgepakt en uitgewerkt tot de bekende lijst van vijf vrijheden (FAWC, 1993). Vaak is de verwijzing naar de vijf vrijheden niet correct.
Het raamwerk van Welfare Quality gaat uit van vier klassen en in totaal twaalf welzijncriteria.
1. Gedrag
2. Gezondheid
3. Fysieke en fysiologische comfort
4. Voeding