Nieuws

Evaluatie uitgevoerd naar doeltreffendheid en effectiviteit Wet dieren

Gepubliceerd op
21 november 2020

Afgelopen week heeft minister Schouten van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de bevindingen van de evaluatie van de Wet dieren gedeeld in een brief aan de Tweede Kamer. De Wet dieren is in de periode 1 januari 2013 tot en met 1 juli 2014 in verschillende fasen in werking getreden. In de Wet dieren is opgenomen dat na vijf jaar de Wet wordt geëvalueerd om inzicht te bieden in de doeltreffendheid en de effecten van de wet in de praktijk.

Bureau Berenschot heeft de evaluatie uitgevoerd; daarnaast heeft Bureau Risicobeoordeling & Onderzoek van de NVWA (BuRO) op eigen initiatief een evaluatie van de wet uitgevoerd. In de brief geeft minister Schouten de Kamer een samenvatting van de bevindingen van beide evaluaties en haar beleidsreactie. De belangrijkste bevindingen uit beide rapporten over de bescherming van dieren komen overeen.

Twee evaluaties

Om een beeld te krijgen van de doeltreffendheid van de Wet dieren heeft Bureau Berenschot onderzocht in welke mate de doelen van de wet worden behaald. Voor de effecten van de wet in de praktijk heeft Berenschot onderzocht in hoeverre de wet heeft geleid tot een vereenvoudiging en samenhangend stelsel van regels en of de wet effectief kan worden gehandhaafd. Voor de evaluatie voerde Berenschot een uitgebreide deskstudie uit en zijn (groeps)interviews afgenomen met vertegenwoordigers van organisaties in de dierlijke keten, de gezelschaps-en hobbydierensector, dierenbeschermingsorganisaties, organisaties van dierenartsen, toezichthoudende instanties, overheid en wetenschappers.

BuRO heeft voor zijn evaluatie op basis van eerdere BuRO risicoanalyses en adviezen in beeld gebracht welke welzijnsrisico’s zich in de praktijk voordoen bij landbouwhuisdieren en in welke mate deze door de wet worden gemitigeerd. De reikwijdte van de BuRO-evaluatie is beperkter dan die van Berenschot. BuRO heeft zich voornamelijk op landbouwhuisdieren gericht en niet op gezelschaps- en hobbydieren, heeft geen specifieke aandacht besteed aan de handhaving en heeft zich niet gericht op de evaluatie van de wet als stelsel. Berenschot heeft de uitkomsten van de evaluatie van BuRO meegenomen als input voor zijn eigen rapportage.

Vereenvoudigd en samenhangend stelsel

In zijn rapport concludeert Berenschot dat wanneer de Wet dieren in 2021 volledig in werking is getreden, er sprake is van een integraal en samenhangend stelsel met overzichtelijke uitvoeringsregeling. De Wet heeft geleid tot meer uniformiteit in definities en manieren van regels stellen in vergelijking met de situatie voor de Wet dieren. Belangrijk aandachtspunt is dat de open normen in de wet kunnen leiden tot onduidelijkheid. Sectorpartijen en handhavende instanties hebben behoefte aan meer duidelijkheid dan de open normen kunnen bieden. Daarnaast constateert Berenschot dat er veel aanwijzingen zijn dat de wet adequate mogelijkheden biedt om slagvaardig Europese regelgeving uit te voeren of om te zetten. De structuur van de wet is echter nog niet getest door ingrijpende Europeesrechtelijke veranderingen.

Bescherming van het dier

Berenschot constateert dat de introductie van de Wet dieren en de onderliggende regelgeving er niet op gericht was om het beschermingsniveau van dieren te verhogen ten opzichte van de situatie van vóór de wet. Het doel van de wet op dit punt is beleidsneutraal. De inhoud van de voor 2013 bestaande regelgeving die werd opgenomen in de Wet dieren, werd gecontinueerd. In haar reactie geeft de minister aan dat de wet voor de bescherming van het dierenwelzijn een aantal winstpunten bevat, waaronder een versterking van het niveau van bescherming van gezelschapsdieren, de introductie van de bevoegdheid om bij algemene maatregel van bestuur concrete handelingen te benoemen die zonder meer als dierenmishandeling worden beschouwd, en versterking van de handhaving door de introductie van de bevoegdheid om bestuurlijke boetes op te leggen.

De minister is zich ervan bewust, zoals Berenschot en BuRO constateren, dat in de wet voor sommige diersoorten en diercategorieën meer regels worden gesteld dan voor andere. De wet biedt aan alle gehouden dieren (zoogdieren, reptielen, amfibieën, vogels en vissen) een basisniveau aan bescherming door middel van algemene regels over het houden, de verzorging en de huisvesting van dieren.

Toezicht en handhaving

In de wet zijn open normen gesteld waar dit mogelijk was. Hiermee wordt de verantwoordelijkheid van houders van dieren benadrukt. De open normen (doelvoorschriften) dienen aan houders ruimte te bieden voor innovatie en initiatief om die middelen te kiezen waarmee aan de open normen wordt voldaan. Berenschot concludeert dat het invullen van open normen door sectoren hooguit ten dele van de grond gekomen is. De open normen worden als groot knelpunt ervaren; deze lijken onvoldoende handvatten te geven voor de handhaving. De minister is zich ervan bewust dat er situaties zijn waarin open normen lastig of zelfs niet kunnen worden gehandhaafd als er geen nadere duiding of invulling van die normen beschikbaar is. Ze wil daarom die open normen die evident lastig handhaafbaar zijn en van groot belang zijn voor het beschermingsniveau van het dier of de voedselveiligheid nader gaan invullen. Dat kan via jurisprudentie, beleidsregels, op basis van wetenschappelijk onderzoek of verklaringen van deskundigen.

(Bron foto: Pezibear_Pixabay)